Tweestromengemeente Heerewaarden Rossum  Hurwenen

 

 Organisatie van de plaatselijke gemeente en Classis

 

Aangezien er van alles en nog wat gebeurt in een gemeente, is er een bestuur dat leiding geeft en het geheel overziet. Dit bestuur wordt gekozen door de gemeenteleden en heet de 'kerkenraad'. De leden van de kerkenraad heten de "ambtsdragers".. Er zijn drie soorten ambtsdragers: "ouderlingen", "diakenen" en "predikanten". Om het beleid van de kerkenraad uit te voeren zijn er tal van commissies en taakgroepen actief in de gemeente.

Ambtsdragers, taakgroepen, commissies en andere actieve groepen dragen allen met elkaar zorg voor het goede reilen en zeilen van een kerkelijke gemeente.  

Bovenplaatselijke organisatie: de classis

De classis wordt een ‘meerdere’ vergadering genoemd. Niet omdat een classicale vergadering een belangrijkere vergadering is die van de kerkenraad, maar omdat in deze vergadering afgevaardigden van meerdere plaatselijke gemeentes bij elkaar komen. In de classis Bommel gaat het om afgevaardigden uit 40 gemeenten.    

Een classicale vergadering staat niet boven een kerkenraad. Dat betekent dat een classis niet het beleid van een plaatselijke kerkenraad bepaalt. Hetzelfde geldt voor de generale synode: de synode bepaalt het beleid van de classicale vergadering niet. Het gaat bij de ambtelijke vergaderingen om drie verschillende verschijningsvormen van de kerk.

Daarbij geldt de ‘gulden regel’ van het protestantse kerkrecht. Vanaf de eerste synode van de Nederlandse kerken, die in 1571 in Emden werd gehouden, heeft deze regel gegolden: geen kerk zal over een andere kerk, geen dienaar des Woords, geen ouderling noch diaken zal de een over de ander heerschappij voeren (artikel 1 van de Handelingen van de synode in Emden). Deze regel is nog steeds een belangrijk uitgangspunt van de Kerkorde. Bij de gehoorzaamheid aan Christus past het niet te heersen, maar te dienen. Ambtsdragers, kerkenraad en commissies, ambtelijke vergaderingen en bovenplaatselijke colleges, allen mogen zich bij het uitoefenen van hun onderscheiden taak en bevoegdheden laten leiden door dit grondprincipe van protestants kerkelijk leiderschap: zij zijn er om elkaar te dienen. Ambt is dienst.

-----------------------------------------------------------------------------

Voorafgaande beschrijving is gedeeltelijk en onderstaand artikel is in zijn geheel overgenomen uit Kerkennieuws 15e jrg. 31.1.20014 nr.3, uitgezonderd de illustraties en links.

De classis Bommel bestaat in 2014 400 jaar.

Over de beginperiode van de Hervorming in de Bommelerwaard: ga naar hier.

Classis Bommel, door de eeuwen heen - Zoals u misschien bekend is, werd in september 1614 de eerste vergadering belegd van de Classis Bommel. 400 jaar Classis: Gods trouw, de eeuwen door. Voor veel ‘kerkmensen’ is de Classis een mistig orgaan is. Misschien wel een beetje te vergelijken met de Eerste Kamer, het hoort er nu eenmaal bij, maar warm of kou worden we er niet van. Zou er ook zo over de Classis gedacht worden? Nu heeft de Classisvergadering nadrukkelijk besloten om het jubileum in alle bescheidenheid te vieren. Niet met wetenschappelijke publicaties, dito symposia of luid trompetgeschal. Nee, van tijd tot tijd iets laten zien van wat die Classis Bommel eeuwenlang betekend heeft voor de wereld – ja zeker – en voor reformatorische / protestante christenen in Nederland en in het bijzonder in het Rivierengebied, het ‘werkveld’ van de Classis. De Classis vergadering heeft een tiental vrouwen en mannen bereid gevonden om in het komende jaar samen met allen die zich verbonden weten met en door het Evangelie stil te staan bij het lange verleden van de Classis Bommel. U zult daar ongetwijfeld van horen. KerkenNieuws publiceert de stukjes om u op deze manier te informeren over het werk van de werkgroep en onze gedeelde geschiedenis. In dit nummer deel 1.

CLASSIS 400:

De classis was in de late zestiende en in de zeventiende eeuw de spil van het gereformeerde kerkelijk leven. Zij vormde het bestuurlijke middenniveau tussen de plaatselijke kerkenraad en de provinciale synode. Alle zaken van enig belang kwamen in de classis aan de orde.

In deze passage uit een studie over de Classis wordt over ‘gereformeerd kerkelijk leven ’ gesproken. Die ‘Gereformeerde kerk’, ook wel de ‘Kerk van de Ware Christelijke religie’

of ‘de Nederduitsch Hervormde kerk’ genoemd, was in de Noordelijke Nederlanden de belangrijkste kerk die de Reformatie zou voortbrengen. De ‘gereformeerde kerk’ kwam er echter niet zo maar. Omdat de Classis Bommel dit jaar 400 jaar bestaat, kunt u dit jaar over de geschiedenis van de gereformeerde kerk, de Classis Bommel en haar werkzaamheden in deze lange periode van tijd tot tijd in uw kerkblad lezen.

BEGIN VAN DE REFORMATIE

Dit eerste artikel gaat over het begin van de Reformatie in de Nederlanden en in onze omgeving.

De kern van de Reformatie kan kort worden samengevat: Sola Gratia, Sola Scriptura en Sola Fide (alleen Genade, alleen de Schrift en alleen het Geloof). Hierop wezen Luther en Calvijn en dat leidde tot de breuk met Rome. Die breuk met de RK kerk, het instituut dat met haar sacramenten en priesters het heil verzorgde, was zeer ingrijpend, ook omdat de RK Kerk zeer nauw verbonden was met de staat. Zo bemoeide de vorst van de Nederlanden, Keizer Karel V, zich met de benoeming van bisschoppen. Opstand tegen de Kerk, zo besefte ‘iedereen’, bracht de samenleving in gevaar en leidde tot onrust en conflicten. Karel V stond niet toe dat er getornd werd aan de fundamenten van zijn Rijk.

De doodstraf dreigde voor afvalligen en zo vonden op 1 juli 1523 de eerste terechtstellingen plaats: twee uit Den Bosch afkomstige monniken, Henricus Vos ( of Hendrik Voes) en Johannes van Essen, beiden beschuldigd van ‘Luterye’, werden op de Grote Markt in Brussel verbrand. Er zouden in de daaropvolgende decennia vele aanhangers van de Nieuwe Leer de marteldood sterven. Het klooster van de twee omgebrachte ‘ketters’ bevond zich in Vlaanderen, in de late middeleeuwen het meest verstedelijkte landschap in Europa.

Juist in industrie- en handelssteden met hun internationale contacten, kwamen de mensen in aanraking met nieuwe ideeën en dus ook met ‘de Nije Leer’. In de Vlaamse steden en stadjes waren scholen, waar de mensen leerden lezen en er waren boekdrukkers. Men sprak in huiskamers en in herbergen over die vreemde bevrijdende boodschap dat Genade heel wat anders was dan het kopen van een aflaat. In zo’n nieuw geschrift kon je lezen dat er geen priesters nodig waren om je met God te verzoenen. Het ging om Geloof. Het stond in de Bijbel! De aanhang van de ‘Nije Leer’ groeide, maar de leer was nog weinig vastomlijnd. Er waren ‘onbeslisten’ – de grootste groep, die geen radicale keus kon of wilde maken - , ‘evangelischen’, ‘sacramentariërs’, ‘lutheranen’ en ‘wederdopers’. De laatsten werden vanwege hun felle weerstand tegen de overheid en met hun plannen om Gods Rijk alvast op aarde te stichten, het ergst vervolgd. Opvattingen over het Avondmaal en hoe zich op te stellen tegenover een overheid die zo onbarmhartig de 'Nije Leer' bestreed, brachten scheiding.

Het Bloedplakkaat (1550) van Karel V, waarin wrede straffen werden aangekondigd  straffen zorgde voor verdere radicalisering.

Talloze  vluchtelingen weken uit naar Londen, 

Norwich, Emden of Wezel waar gemeenten met een gereformeerd karakter ontstonden. Deze vluchtelingengemeenten zijn van groot belang geweest voor de verbreiding van de Reformatie in de Nederlanden. Niet alleen de overtuigingen van de Calvinisten zorgden voor groei, ook hun organiserend vermogen. In de jaren ’60 telde Vlaanderen wel zeventig gereformeerde gemeenten die onder meer vanuit Emden van voorgangers werden voorzien. Het calvinisme werd een ook belangrijke politieke machtsfactor.                   

                                                                Kerkennieuws  15e jrg. 31.1.2014 nr. 3 Aart Vos                 

N.B. De links en plaatjes zijn toegevoegd door P. Reesink

Orde in de chaos -

Hierboven ging het over de grote onrust die de boodschap van Luther en Calvijn veroorzaakte. Het leidde tot de breuk met Rome en vervolging door Karel V en zijn zoon Philips II en er kwam een vluchtelingenstroom op gang naar Engeland en steden in Duitsland. Daar, over de grens, kon openlijk met elkaar worden gesproken en werden plannen uitgewerkt om in Nederland gereformeerde gemeenten te stichten. In Nederland raasde eerst nog de beeldenstorm over het land. De vurige prediking van het Evangelie te midden van het overheidsgeweld en de rijkdom van de katholieke kerk, terwijl tallozen in armoede verkeerden en honger leden, leidde in 1566 tot het kapotslaan van de ‘gesneden beelden’. De storm woedde in Vlaanderen, maar verbreidde zich snel naar het Noorden. Beelden en 

altaren in de Bossche Sint Jan moesten er aan geloven. In Well aan de Maas zong de koster in de kerstnachtdienst ‘duytsche psalmen op der geusche maniere’, in Zaltbommel trok een menigte van meer dan duizend personen naar de Markt en eiste van de stadsregering dat de reformatorisch gezinde kapelaan Jan van Venray in de Sint Maarten vrij kon preken. De materiële schade in Bommel bleef beperkt, maar bij Beesd werd de Abdij van Mariënweerd bij Beesd geplunderd en in brand gestoken. Aanhangers van de Nieuwe Leer namen de Bijbel serieus (‘Gij zult u geen gesneden beelde  maken’), maar het lijdt geen twijfel dat weerzin tegen de katholieke geestelijkheid  (het ‘antiklerikalisme’ zat diep en dateerde al van ver voor de Reformatie), armoede, botte vernielzucht en belustheid op buit ook achter de beeldenstorm stak. Het is een donkere bladzijde uit de geschiedenis van het jonge calvinisme. 

Alva, de Spaanse landvoogd, greep hard in. ‘Ketters’ belandden op de pijnbank en stierven op het schavot of de brandstapel. In 1542 was Hubert Selkart in Zaltbommel in een zak gestopt en in de Waal verdronken omdat hij op de Markt in de volkstaal uit de Bijbel voorlas. In 1568 werden Peter Mom, Wouter van Oensel en Gerrit Wever op de Markt onthoofd. In Zaltbommel waren meer mensen met ‘ketterye besmet’. De kapelaan van Driel, had voor de bisschop een lijst met namen van ketters opgesteld. De pastoor van Hedel organiseerde hagenpreken waar honderden mensen op af kwamen en waar ‘zallemen’ gezongen werden. De jaren ’60 werden gekenmerkt door opstanden en rebellie die gericht waren tegen de janboel die heerste in de katholieke kerk, tegen de rijkdom van de gevestigde – katholieke - orde en de dwang en willekeur van de Spaanse overheid. Het verlangen naar de bevrijdende Bijbelse boodschap kan niet eenvoudig worden onderscheiden van de motieven die alles te maken hadden met de erbarmelijke sociaal economische omstandigheden waarin tallozen verkeerden. 

Van vorming van gereformeerde gemeenten was in de Noordelijke Nederlanden nog nauwelijks sprake. Vluchtelingengemeenten namen het voortouw. In Wezel werden in 1568 regels opgesteld die aanvingen met de volgende woorden: “De Apostel Paulus schrijft voor, dat in de kerke Gods alle dingen betamelijk en met orde moeten geschieden, opdat niet alleen in de leer maar ook in de orde zelve en de kerkelijke regering van het ambt een eenparige overeenstemming van de kerk vaststa en onderhouden worde.” Daarom moesten volgens de vergadering van vluchtelingen-predikanten in Wezel en Emden ‘classen’ worden ingesteld die er voor moesten zorgen dat er binnen een bepaalde regio afzonderlijke gemeenten konden worden gevormd. 

Een volgende maal over de betekenis van de Classis. Wat werd er op de vergaderingen besproken en waar leidde dit toe? uit: kerkennieuws, 15e jaargang, 14 febr. nr. 3

(wordt vervolgd, Aart Vos) 

De Classis Bommel en het onderwijs 

Tot een van de taken van de Classis Bommel behoorde de zorg voor het onderwijs. Mochten we denken dat de dominees en ouderlingen die de Classis bestuurden bezorgd waren over de geringe kennis van de dorpelingen op het gebied aardrijkskunde of rekenen, dan hebben we het mis. Het ging ergens anders om. De school was ‘een der voornaamste middelen om de eenvoudige menschen tot de goede beginselen der kennisse te brengen en om te ontwaken uit de onwetenheijt des pausdoms tot kennisse der waarheit’. Zoals de historicus 

 

Van Deursen in zijn meesterlijke boek over het dagelijks leven van gewone mensen in de Gouden Eeuw schrijft, dienden de gereformeerde scholen de leerlingen  voor te bereiden op het kerklidmaatschap. Het ging er dus niet om of kinderen mooi konden schrijven  of goed rekenen, dat was net zo belangrijk als het vlechten van een mand of het melken van een koe

Nee, er moesten schoolmeesters komen die de catechismus onderwezen en de kinderen psalmen leerden. En leren lezen was belangrijk! Want het ging er om dat men zelf de Bijbel pakte en deze las. In de vroege zeventiende eeuw moesten leerlingen er ook op worden gewezen dat de ‘papisten’ (de katholieken) dwaalden en dat er allerhande sektariërs waren die je van de ware weg trachten af te  brengen. De plaatselijke gereformeerde gemeenten dienden daarom te zorgen voor betrouwbare onderwijzers. Had men een schoolmeester gevonden dan moest deze voor de classis examen doen en de belijdenisgeschriften van de gereformeerde kerk ondertekenen.  

Weinig bekwame schoolmeesters                                                               Al vanaf het begin van het ontstaan van de Classis Bommel (1614) waren er zorgen. In de eerste plaats was er een gebrek aan schoolmeesters. In Wadenoijen wilde de kerkenraad wel een schoolmeester aanstellen maar een oprechte en bekwame gereformeerde onderwijzer was nergens te vinden. Dan waren er ook nog vrijbuiters onder de schoolmeesters die deden waar ze zin in hadden. De schoolmeester van Aalst liet niet de gezangen zingen die door de gereformeerde kerken waren goedgekeurd (1615). Omdat er zo weinig bekwame schoolmeesters waren, stelde de kerkenraad van Hellouw iemand aan die niet door de classis was geëxamineerd en ‘getest’ op zijn gereformeerd-zijn. Vaak wilden de kerkenraden voor een dubbeltje op de eerste rang zitten, met als gevolg dat er nogal wat klachten te horen waren over de geringe salariëring.

Karig loon                                                                                          Meestal was het geen vetpot bij de meester thuis. De schoolmeester van Enspijk moest rondkomen van een ‘zeer sober tractement’. Daarom vertrok de goede man, met instemming van de Classis, naar Hurwenen waar men rijker was. Vanwege de sobere traktementen verrichten de meesters naast het lesgeven vaak andere taken. De schoolmeester van Nieuwaal , Antonius Ravestein, diende in 1620 bij de classis een verzoek in om ook voorlezer te mogen worden ‘ter verbetering van sijn gagie’. Helaas, zijn verzoek werd afgewezen. Toch wilde de classis hem ter wille zijn. Hij mocht in andere dorpen inspringen als de schoolmeester daar absent was.

Roomse superstitiën                                                                                  De schoolmeester van Rhenoy was wel voorlezer in de dorpskerk. Hij las ‘de bloote tekst der Heyligen Schriffture’ in de zondagse eredienst. Maar kon hij wel gehandhaafd blijven?, vroegen de broeders van de Classis zich af. Bij het begraven van de doden in Rhenoy was hij aanwezig, dat was prima, maar hij gedroeg zich daar niet als een gereformeerd man. Hij verrichtte ‘pauselijke ceremonien’. Waarschijnlijk sloeg hij een kruis over  de kist en, zo lezen we enkele jaren later, sprak hij gebeden voor reeds gestorvenen uit. De meester werd verschillende malen vermaand de roomse ‘superstitiën’ (bijgelovigheden) achterwege te laten.Typisch een voorbeeld uit een overgangstijd. De gereformeerde leer had nog niet overal wortel  geschoten.

Te katholiek                                                                                             De kerk bestond rond 1600 nog uit tal van ‘onbeslisten’ of ‘liefhebbers’, die graag uit de Schrift of de Catechismus hoorden preken, maar geen afscheid konden of wilden nemen van de Moederkerk met haar rituelen. In Zuilichem woonde en werkte in 1618 nog een ‘paep’, een priester, die onderwijs gaf en bovendien trouwde en doopte hij er lustig op los. Als hij met dat laatste doorging moest de justitie maar worden ingeschakeld. Aldus geschiedde. De man werd gesommeerd de pastorie te verlaten en naar het roomse Brabant te vertrekken. Net als in Holland wilde men in Gelderland wel gereformeerde onderwijzers, maar als die er niet waren dan bleven de katholieke meesters zitten. Deze schoolmeesters moesten overigens wel uit goedgekeurde boekjes lesgeven. Dat voorschrift lezen we niet in de classicale notulen, maar andere Classes of Provinciale Synoden zetten die wel op papier, zoals de Noord-Hollandse Synode in 1596.

De Maas over naar Bokhoven                                                                   De Bommelerwaard lag op de grens Rome –Reformatie. Zo roeiden bijvoorbeeld -en daarover was de classis zeer bezorgd – vaders en moeders in Kerkwijk met hun jonge kinderen de Maas over om die door de pastoor van Bokhoven te laten dopen. Wat als je kind ongedoopt of niet-katholiek gedoopt stierf? De kindersterfte was erg hoog. De vrees dat de ongedoopte zuigeling dan voor eeuwig verloren zou gaan, was voor de ouders reëel. In de doopboeken van het Brabantse Empel en Bokhoven staan heel wat namen opgetekend van kinderen uit de Bommelerwaard.

Onderwijzer moest goedkoop zijn                                                Overigens gaf de gereformeerde schoolmeester van Kerkwijk in die jaren (1618-1619) geen goed voorbeeld. Hij, Jan Leendertsen, was voortdurend dronken en vloekte er op los. In de Synodale Kerkorde van 1619 werd de kerkenraden opgedragen voor schoolmeesters te zorgen die de kinderen in ‘Godt-saligheyt en in de Catechismo’ onderwezen. Maar wat was een goede schoolmeester? Ja, de schoolmeester moest de gereformeerde belijdenis onderschrijven. Maar kon hij de kinderen dan ook leren lezen en spellen zodat zijde Bijbel en catechismus konden lezen? Dirck Valckoogh,een Hollandse schoolmeester die begin zestiende eeuw een boekje voor en over zijn vakgenoten schreef, was nogal somber. De dorpsoverheden stelden slechts één voorwaarde aan de onderwijzer, schrijft Valckoogh. Hij moest goedkoop zijn. Dan ligt het voor de hand dat de kwaliteit van de schoolmeesters te denken gaf.  

Aan het einde van de 17e eeuw kwam er een Schoolreglement voor de scholen ‘ten Platten Landen’ van Gelderland . Wat er nu precies van schoolmeesters en leerlingen verwacht werd, stond nu op papier. Ook daar over een volgende keer. (Wordt vervolgd) 

Aart Vos 

Classis en onderwijs (2)

Bijbaantjes: paardenhandelaar                                                                     

De bijdrage hiervoor besloot ik met de opmerking van de Hollandse schoolmeester Valckoogh dat kerkenraden voor een dubbeltje op de eerste rang wilden zitten. Met andere woorden, de dominees en ouderlingen keken niet naar de kwaliteiten van de schoolmeester, maar of de meester met een laag traktement genoegen nam. Met alle gevolgen van dien. De schoolmeester van Zuilichem ging bij gebrek aan inkomen in de paardenhandel. Hij zou wel meer dan 40 paarden op stal hebben staan, aldus Constantijn Huygens . In een van zijn vele brieven lezen we bovendien dat de meester in het Bommelse gevang belandde, aangeklaagd wegens ‘lorrendraaierij’ oftewel smokkelarij. 

Reglement                                                                                                      Het schoolreglement voor Gelderland uit 1681 moest een einde maken aan allerlei uitwassen. Nu stond er zwart op wit op papier wat er van de schoolmeesters werd verwacht. De laatsten wisten waar ze aan toe waren en de classis moest er voor zorgen dat de meesters zich aan de spelregels hielden. In het boekje lezen we dat schoolmeesters aleer ze hun betrekking aanvaardden de drie ‘Formulieren van Eenigheid’ dienden te ondertekenen. Mochten ze bijklussen? In ieder geval was het hen verboden een kroeg te exploiteren en ze mochten geen belasting innen. Alles wat hen van het lesgeven afhield was verboden. Wat voor ons vanzelfspreken is werd in het regelement opgenomen. namelijk dat een schoolmeester vlot moest kunnen lezen, en 'met goede hant'schrijven. Voorts diende hij vanzelfsprekend de Pslamen Davids goed te kunnen zingen.

Opvoeden                                                                                                Dan was er naast het lesgeven nog een belangrijke taak waarvoor de meesters zich gesteld zagen namelijk het opvoeden van de leerlinge ntot 'vrome Godsalige lieden'. Dat werden ze, zo vertelt het Reglement, mede door de 'exempelen' (voorbeeld) van de schoolmeester.  Deze diende zich zowel in als buiten het schoollokaal zich te nthouden van gevloek en gescheld. Was de meester getrouwd, dan moest zijn echtgenote ook lidmaat van de kerk zijn. Het schoolmeestersgezin diende de scholieren in alle 'Godtsaligheyd en deugd voor te gaan'.

Zingen                                                                                                           Zingen was een belangrijk onderdeel van het ‘lespakket’. Dat zien we ook terug in de sollicitatieprocedure. Arnoldus van Bemmel solliciteerde in 1764 naar de schoolmeestersplaats in Kerkdriel. Hij werd het, maar er waren nog dertien andere kandidaten. Allen moesten Psalm 27 en 65 zingen en vervolgens een gedeelte uit het boek Jesaja voorlezen. Voorts moesten zij een som maken, enkele regels op een bord schrijven en hun handtekening zetten. Van Bemmel scoorde een voldoende. In het reglement stond wat hij moest doen. Zijn lesuren waren van acht tot elf uur en ‘s middags van een tot vier uur. In de eerste plaats moest hij de kinderen het Onze vader, de Tien Geboden en de Twaalf Artikelen leren.

Spanningen met katholieken                                                                         Voorts kwam het spellen, lezen en schrijven aan bod. Op zondag was er uiteraard geen school. Het reglement vermeldt nog ‘speeldagen’ (tweeënhalve dag per week). De meester was dan niet vrij. Hij moest er op letten dat de kinderen zich niet aan gokken overgaven of op gevaarlijke plekken gingen zwemmen. Bij het opstellen van het reglement, in 1681, was er geen sprake van dat alle dorpelingen gereformeerd waren. Integendeel . Ondanks alle pogingen tot calvinisering zouden de katholieken er altijd blijven. Ze vormden vaak een meerderheid die moest slikken wat de gereformeerde overheid hen voorschreef.  Dat gaf van tijd tot tijd spanningen. Ds. Noordberg uit Ammerzoden meldde in februari 1686 dat hij het beu was op straat te worden ‘nagehuijlt ende bespot door Paepse kinderen’. Katholieke feesten bleven ook bestaan. Zo klaagde ds. Schuttenius in hetzelfde jaar dat in zijn dorp (Herwijnen) de vastenavond nog volop gevierd werd. Katholieken moesten gereformeerd worden. Daarom waren er geen legale katholieke scholen. De gereformeerde school was voor elk kind bestemd ongeacht de religie. Ieder kind leerde de psalmverzen en deed mee als de schoolmeester zijn gebeden uitsprak. Niet-gereformeerde kinderen hoefden echter niet de vraag en het antwoord uit de catechismus die zondags in de kerk behandeld werd uit het hoofd te leren. In het reglement vinden we nog veel meer bijzonderheden over meesters, de leerstof en de school.

Toezicht                                                                                                    De broeders uit de classis hielden toezicht en adviseerden kerkenraden wanneer het ‘schoolhouden’ te wensen over liet. Het is jammer dat er slechts aantekeningen bewaard zijn gebleven over de visitatie van de Bommelerwaard en dat alleen voor de 18e eeuw . Toch zullen de bevindingen van de ouderlingen en predikanten niet veel hebben afgeweken van wat er in ten noorden van de Waal, het andere deel van het werkgebied van de Classis Bommel werd aangetroffen. In de eerste plaats diende zich het probleem aan dat zich overal buiten de grote steden voordeed: het schoolverzuim, en dan met name als het koren rijp was of de vruchten geplukt moesten worden. In de oogsttijd was het alle hands aan dek. Groot en klein, oud en jong waren op het veld aan het werk. Voor de school was dan geen tijd. Ook schoolmeesters ‘vergaten’ dan wel de taak waarvoor zij waren aangesteld. De verslagen van de visitatiecommissies lijken op de krant, dat wil zeggen: goed nieuws, is geen nieuws. We treffen dus meestal alleen notities aan over het falen en feilen van dominees en schoolmeesters.

Hurwenen                                                                                                 Hurwenen trof het niet met de schoolmeester. Of was het andersom? De classis nam het in 1710 op voor Herman Lagrou, die zijn werk niet kon doen omdat de dorpelingen hem steeds hinderden. Wilde de schoolmeester in 1710 zijn werk doen, in 1770 behandelde de classis de klacht dat de schoolmeester er nooit was of zich met andere zaken bezighield. De kinderen gingen daarom naar de school in Rossum. De meester van Hurwenen was ook geen lid van de gereformeerde kerk, terwijl dat volgens het reglement een vereiste was. De Hurnse predikant, ds.Veltcamp, kreeg de opdracht hem achter de vodden te zitten.

Roelof van Zetten                                                                                      Tenslotte iets over Roelof van Zetten. Deze schoolmeester uit Rhenoy haalde in 1761 de Vaderlandsche Letteroefeningen, een belangrijk opiniemaandblad in die eeuw. ‘Vrij van meesterachtige verwaandheid’, aldus het blad, blonk hij uit in het spreken in het openbaar. Hij wist niet alleen ‘alles’ van Sterrenkunde, Stuurmanskunst en de ‘Aard-globe’ , maar herhaalde op zondagavond de preek die de dominee eerder op de dag had gehouden uit het blote hoofd. De beroemde Leidse geleerde hoogleraar Lulofs stond versteld van zijn kennis. Zijn karig traktement vulde Van Zetten aan met het vervaardigen en verkopen van zonnewijzers. Voor een edelman in het Noordhollandse Spanbroek maakte hij een gigantische zonnewijzer met daarbij nog 63 kleinere, waarvan afgelezen kon worden hoe het gesteld was op Kaap de Goede Hoop, in Rusland, Portugal, Groenland en talloze andere landen. Het tijdschrift ‘bejammerde’ het dat Van Zetten in zo’n afgelegen oord woonde en slechts weinigen van de werken van dit genie kennis konden nemen 

Tot slot                                                                                                                   Er is zo veel te vinden en te lezen over schoolmeesters en de rol van de classis. Dankzij de inspanningen van al die mannen en later ook vrouwen, - stap voor stap -, leerden onze voorouders de Bijbel te lezen en namen ze kennis van allerlei praktische zaken uit tal van boeken. Over huishouden en hoe het werk beter te kunnen doen, over een gezond leven en over andere mensen ver weg en dichtbij.

De geschiedenis is niet begonnen toen wij in de wieg lagen. En: de kerk en dus ook de classis was en is er niet voor zichzelf! Van het begin af aan was de kerk gericht op de ander: die in nood verkeerde. In een volgende bijdrage schenk ik aandacht aan mensen die ook vandaag op ons pad komen: vluchtelingen en onderdrukte mensen waar de Classis Bommel aandacht voor vroeg.  

Aart Vos uit Kerkennieuws nr. 15, 2014

De Classis en de verre naaste (1) 

Wat deed de Classis zoal? We hebben gelezen dat in een tijd dat het helemaal nog niet zo zeker was dat de gereformeerde leer aansloeg, de classis het gereformeerd onderwijs bevorderde zodat het reformatorische geluid kon klinken onder een bevolking die op veel plaatsen nog zeer vertrouwd was met rooms-katholieke gewoonten. In deze bijdrage, die ik in tweeën heb geknipt, zien we dat de classis zich niet alleen druk maakte over de eigen omgeving, maar er, soms heel ver, over de grens werd gekeken.

In augustus 1687 las de voorzitter van de classis Bommel een ‘zielbeweegelijcke danck en verzoeck brief’ voor van de synode van het ‘Gulickerlandt’, het gebied rond het huidige Jülich, ten noorden van Aken. Ruim een halve eeuw eerder – in 1630 - sloegen de gereformeerden uit die omgeving op de vlucht. In 1630 stonden er ongeveer 400 mannen, vrouwen en kinderen uit Aken e.o. voor de stadspoorten van ’s-Hertogenbosch. Het is nuttig hier even bij stil te staan. In Den Bosch woonden in dat jaar ca. 12.000 mensen en daar kwamen in een keer 400 mensen bij! De stadspoorten werden geopend voor honderden vluchtelingen.

In 1687 hoefden de Duitse gereformeerden hun biezen niet te pakken, maar ze verkeerden wel in droevige omstandigheden en vroegen hun Nederlandse geloofsgenoten om steun. Berichten over armoede, onderdrukking en geloofsgenoten die op de vlucht sloegen bereikten de Classis met grote regelmaat en in de kerken werd veelvuldig gecollecteerd voor de buitenlandse geloofsgenoten. Na vrijwel elke vergadering – de broeders kwamen twee maal per jaar in de Bommelse Sint Maarten bij elkaar - reisden de afgevaardigden van de Classis naar huis met de boodschap hun gemeenten op te wekken om voor de medezusters en –broeders te bidden, mild te geven en vluchtelingen te helpen. In Haaften, Est, Hedel en Tuil werden de mensen er aan herinnerd dat de gereformeerde kerk geboren was in tijden van onderdrukking en vervolging. In de kerken werd dan geld ingezameld voor de Gulikse geloofsgenoten, maar ook de noodkreten uit de Palts en van de Poolse en Litouwse gereformeerden werden beantwoord evenals die van de ‘Dalluyden’ uit Piëmonte (de Waldenzen) en de lutheranen uit Salzburg en omstreken. In 1715 was zelfs een verzoek van de (koptische?) patriarch van ‘Aegypten’ reden om geld in te zamelen. 

In 1706 deed Ds. van Niel uit Gameren verslag van de opbrengsten van dat jaar: In de Tielerwaard werd bijna 39 gulden opgehaald en in de Bommelerwaard 27 ½ gulden. Zowel de kerken in de Palts als die in het Gulikerland kregen 20 gulden. (Het dagloon van een metselaar, timmerman enz. bedroeg 1 gulden) Andere noodlijdende gemeenten ontvingen 10 gulden, evenals de synodale beurs. Er bleef bijna 7 gulden over en dat bedrag moest ds. Zandbergen uit Opijnen die toen penningmeester van de Classis was, beheren. (Overigens merkten de visitatoren op dat de diakenen van Rossum, Est en Renoij geen aantekening hielden van de inkomsten en uitgaven. In Bruchem hadden ze nooit van een kasboek gehoord en in Heerewaarden werd met potlood iets gekrabbeld ‘daar niets van te leesen of te maken was’. U ziet dat de Classis ook op dit terrein toezicht hield en de kerkenraden voorhield een goede administratie bij te houden. Gelukkig maar, anders zou veel uit de geschiedenis van onze kerken onbekend zijn.) 

Het was niet altijd eenvoudig om geld bij elkaar te krijgen. Er werd nogal geklaagd dat er te weinig geld was voor het onderhoud van de eigen kerkgebouwen en de uitbetaling van traktementen. Althans dat kregen ds. Rosenthal uit Geldermalsen en zijn collega Crombrugge uit Ophemert in 1715 te horen. Zij waren er op uit gestuurd om gemeenten die laks waren op te wekken. De gemeenten van Nieuwaal en Pouderoyen werd enkele jaren daarvoor zelfs bevolen de beurs te trekken voor de geloofsgenoten in de Palts. De Palts lag in het Duitse keizerrijk, dat een lappendeken was die uit talrijke vorstendommen bestond. Elke vorst kon besluiten dat de officiële religie in zijn vorstendom katholiek dan wel luthers of gereformeerd was. “Cuius regio, eius religio” heette dat, oftewel 'wiens gebied. diens religie'. In sommige vorstendommen die luthers waren of katholiek was het beter dat anderen maar een graafschap of hertogdom verderop gingen wonen anders braken er voor hen moeilijke tijden aan. In de Palts wisselden de machthebbers met regelmaat van kerk of religie. In tegenstelling tot de meeste andere vorsten in de 18e eeuw bemoeide graaf Johan Willem zich intensief met het religieuze leven in zijn landen. Hij probeerde de grotendeels protestantse bevolking tot het katholicisme te bekeren. Katholieken werden bevoorrecht in het openbare leven en protestantse kerken werden omgebouwd tot simultaankerk waar zowel katholieke missen als protestantse diensten werden gehouden. Door deze religieuze politiek van de keurvorsten emigreerden veel protestantse inwoners van de Palts naar Amerika, waar ze zich vooral in Pennsylvania vestigden. Wanneer gereformeerde ouders hun kind niet binnen drie dagen door een dominee lieten dopen, waren ze gedwongen het sacrament door een pastoor te laten toedienen. Kosters die de klok van de gereformeerde kerk luidden werden afgetuigd enz. De situatie van de gereformeerden in de Palts stond vaak op de agenda van de classicale vergaderingen. 

Ook de toestand van gereformeerde kerk van Polen en Litouwen, die ouder was dan die in de Lage Landen, was een terugkerend agendapunt. In de 17e en 18e eeuw werkten met name de Jezuïeten er hard aan om de Poolse bevolking weer terug te brengen in de schoot van de Moederkerk. 

Gereformeerde kerken werden gesloten en dat ging vrij eenvoudig omdat er nogal wat adellijke lieden die veel in melk te brokkelen hadden katholiek werden. Het jaar 1768 was rampzalig: kerken en scholen werden in brand gestoken, gereformeerden gemolesteerd en mishandeld en hun kinderen afgepakt en katholiek opgevoed. Veel weten we uit een boek van de predikant van Zoelen, ds. Cassius (1698-1783), die uit Polen kwam en een groot pleitbezorger was voor zijn geloofsgenoten in zijn geboorteland. Hij publiceerde in 1776 de “Korte Schets van den eertijds bloeyenden en voorspoedigen, doch nu rampzaligen staat van de gereformeerde religie in het Koninkrijk Polen”. Binnen de Classis Bommel werd zowel voor de ‘verdrukte kercken in Polen’ als voor de Waldenzen gecollecteerd. 

In 1766 gaven Brakel en Bruchem gul, maar de kerkenraden van Gameren en Rossum deelden de classicale afgevaardigden mee eerst te willen vernemen wat Zaltbommel voor de onderdrukte gereformeerden over had…. In de notulen lezen we ook over de lutheranen uit Salzburg en de ‘Dalluyden uit Piëmonte” of Waldenzen, waarover een volgende keer. (wordt vervolgd) 

 Aart Vos 

 

 

 

 

 

voorheen Hervormde Kerk Heerewaarden