kerk en dorp Heerewaarden

                   Overgave van het (oude) fort Sint Andries 

      kerk Herwerden   ↓ (6 x lengte van de pijl naar beneden)

Het fort Sint Andries werd beschoten vanuit fort Voorne (links op de kaart, op het eiland)

Rechts een Spanjaard en een Staatse soldaat met hierbij een samenspraak in twee verzen van vier regels in het Nederlands. De soldaat beschiet de Spanjaard met een pistool in de vorm van een vis, een verwijzing naar Voorne.  (Rijksmuseum, anonymus, 1599)                                                                                                        Op de kaart ligt De Maas boven ( is zuiden)  en de Waal beneden (is noorden). 

 

 

 

 

 

 

Ligging van het oude fort Sint Andries in het huidige landschap langs de Heemst

 

 

 

 

 

De overgave van het (oude)fort Sint Andries in 1600 

 (bron Tussen de Voorn en Loevestein, 1968 nr.1 bl. 221 e.v.

Nadat Zijne Excellentie en de heren Staten hadden vernomen dat de soldaten van de Aartshertog door achterstand in de betaling van hun soldij op verscheidene plaatsen, o.a. ook in het fort Sint Andries, aan het muiten waren geslagen, aan wie de Aartshertog, die het ernstig inzag, de 15de februari, om hen enigszins tevreden te stellen, een taler liet geven, laken tot een waarde van een maand soldij en twee pond brood per dag, waar zij echter niets van wilden weten. Zij vroegen integendeel betaling van 30 maanden soldij en gingen in hun muiterij zover dat zij een kapitein van den brug in het water gooiden, een sergeant doodschoten en de overige kapiteins dwongen als gevangenen in hun huizen te blijven.

Tenslotte stuurden ze hen naar 's-Hertogenbosch om voor hen iets goeds te zoeken. Het garnizoen van het fort bestond uit Walen en Duitsers, die onderling overlegden van welke nationaliteit men een chef zou kiezen, die de discipline moest bewaken en hen moest verdedigen en steunen in alle moeilijkheden welke konden komen, waarbij zij tenslotte het lot lieten beslissen, hetwelk de Walen aanwees, zodat die één onder hen moesten aanwijzen, wat zij deden. De bezetting van Crèvecoeur deed hetzelfde op 17 februari. Waarop de heren Staten van de Vereenigde Provinciën en prins Maurits besloten die gelegenheid niet te verzuimen en tachtig vendels soldaten opdracht gaven om de 19de of de 20ste maart voor Dordrecht te zijn, waarmee prins Maurits de Maas opvoer tot het fort Crèvecoeur. Het gerucht liep overal dat hij naar Vlaanderen wilde, maar die avond kwam hij voor Hemert aan en de 21ste maart voor Crèvecoeur, En ofschoon het in die tijd van het jaar erg koud was, sloeg hij toch het beleg voor dat fort en maakte loopgraven en schansen om kanonnen te plaatsen. Dezelfde dag stuurde de bezetting van Sint Andries, vrezende dat Crèvecoeur zou worden aangevallen, daar twee compagnieën heen, samen 130 man groot.

Niettegenstaande dat, vonden die van Crèvecoeur het niet wenselijk en zelfs niet mogelijk om het fort te behouden, hoewel zij behoudens de nieuw aangekomenen zelf nog twee compagnieën hadden. Maar zij vreesden dat, omdat zij gemuit hadden, zij veracht en slecht behandeld zouden worden, en daar zij toch geen betaling zouden kunnen krijgen, gaven zij zich de 24ste maart op de volgende voorwaarden over; zij die van het fort Sint Andries gekomen waren konden daarnaar terugkeren, terwijl van de andere twee compagnieën ongeveer 100 man in dienst kwam bij Zijne Excellentie prins Maurits, aangezien zij eraan wanhoopten ooit nog "betaling" te zullen krijgen. Dit waren soldaten van het regiment van de graaf Christoffel van Embden. Ongeveer 40 man liet zich naar Calais brengen, teneinde te vluchten en de rest vroeg pardon aan de Generaal of besloot ook te vluchten.

Op diezelfde 24ste maart vertrokken uit Helmond en Eindhoven ongeveer 500 man Bourgondiërs van het regiment van Varrabons, die naar 's-Hertogenbosch gingen om vandaar binnen Crèvecoeur te komen. Maar vernemende dat het fort zich had overgegeven en dat de cavallerie van prins Maurits er omheen gelegerd was, eisten zij in de stad 's-Hertogenbosch te worden toegelaten, maar de bewoners -beducht voor hun vrijheid - weigerden het, waarna zij verslagen werden door de cavallerie van Bergen, waarbij de sergeant-majoor en twee andere kapiteins gevangen werden genomen, terwijl aan officieren en soldaten wel 190 man gedood werden. De overige gevangenen werden op losgeld gesteld en vrijgelaten op borgtocht van hun kapiteins, die voor hen instonden. 

En vijf dagen later werden twee eskadrons cavallerie, waarvan één het eskadron van Grobbendonk, die op konvooi waren naar Antwerpen, door het garnizoen van Bergen verslagen. De Admiraliteit had het fort Crèvecoeur met drie bolwerken laten vergroten , die bijna geheel klaar waren, zodat het een machtig fort zou worden. Daarom ook bleef prins Maurits er de 25ste maart, om de verdedigingswerken te verbeteren en overal orde op zaken te stellen, met het oog op aanvallen van de vijand. De 26ste maart begaf prins Maurits zich naar Alem, dezelfde plaats waar de Admirant het vorige jaar zijn kamp had opgeslagen, teneinde zich daar te kunnen versterken en te verschansen en zodoende het grote fort Sint Andries van Brabant te omschansen, waar het garnizoen nog muitende en onbetaald was.

Tevoren had hij de dijken laten doorsteken bij een plaats genaamd groot Lit, teneinde heel het vlakke land van Brabant, naar Oss, Geffen, Meerland en tot aan 's-Hertogenbosch toe onder water te zetten. In zijn kamp te Alem aangekomen zond hij kolonel Gistel met twaalf vondels voetvolk naar Littoyen en liet daar de dijken doorsteken om het land nog beter onder water te zetten, en liet schansen maken om dat gat te bewaken en het open te houden. Hij liet 12 stukken geschut te Maren plaatsen, op de grens van Brabant, tegenover het fort Sint Andries, vanwaar hij elke dag dat fort onder vuur liet houden. In Kessel liet hij het fort herstellen, dat de Spanjaarden er vroeger hadden aangelegd en dat geheel vervallen was. Verder liet hij versterken de kerk van Haren, het hoge land van Alem, bovendien een plaats genaamd S. Anne-Berg of St. Annenborch, klooster van de Augustinessen nabij Rosmalen en de kerk van Empel, opdat de vijand (terwijl het land, zoals gezegd, helemaal onder water stond) geen kans zou hebben om het fort Sint Andries te hulp te komen, noch over de dijk, noch langs Empel, Grave, Littoyen, Lit, Kessel en Maren, waar hij aan alle kanten gedwongen zou zijn versterkingen en verschansingen te forceren. 

Hierdoor was het fort Sint Andries geheel omsingeld., omringd als het aan alle kanten was door het rivierwater, dat zij met gevaar en moeite door de contre-escarpes moesten tegenhouden. Het water was in het begin van april zo hoog geworden, dat men het fort slechts met boten kon binnengaan of verlaten. De belegeraars waren gelegerd in hun versterkingen en schansen op de dijk en in de boten, die in groot aantal aanwezig waren. Het hoge water belemmerde in het begin het ingraven, maar eindelijk begon het water te zakken. Men schoot van alle kanten op het fort, vooral van Maren, en wel zo veel, dat de bezetting de huizen moest neerhalen. Men schoot ook om te trachten dat zij de molen niet meer konden gebruiken, zodat er niet meer kon worden gemalen en brood gebakken, waardoor zij in nood en gebrek zouden komen. De bezetting van het fort verdedigde zich moedig, schoot veel, maar zonder veel schade aan de belegeraars te berokkenen, omdat zij te ver verwijderd waren en zich goed verschanst hadden. De kogels wogen 40 à 45 pond.

Prins Maurits liet de bezetting verscheidene malen sommeren, maar daar willen zij niet van horen, ofschoon zij wel zagen dat het vlakke land, waarover men hen te hulp zou moeten komen, geïnundeerd was al ware het een zee, en ofschoon zij ook gebrek kregen aan geld, hetwelk de basis van elke oorlog is, maar vooral ook aan hout om de vuren en de ovens te stoken, zodat zij gedwongen waren de straten op te breken, die van hout waren gemaakt. Ook hadden zij gebrek aan medicijnen voor zieken en gewonden. Zij hadden genoeg koren, maar geen bier omdat zij niets hadden om te brouwen. Het waren meer dan 2000 muiters zonder commandanten of kapiteins, behalve hun eigen verkozen leider en enige officieren. Die van 's-Hertogenbosch hadden grote zorg om hen, deden wat ze konden, hen alle hulp belovende, en hen seinen gevende met vuren en kanonschoten, hen enige boodschappers zendende, die veel beloofden, maar het waren beloften zonder enig effect. De 10de april probeerde men 's nachts over het ondergelopen land een paar platboomde vaartuigen te sturen, die tot Maren kwamen, maar daar ontdekt en vernietigd werden. In die boten waren enige vooraanstaande personen met wat voorraden en geld en met veel beloften die men aan de bezetting moest geven.

Bovendien begon ook het leger van de Aartshertog zich in de omgeving van Diest te verzamelen, trok daarna op naar een plaats genaamd Os, waar een groot aantal aankwam onder commando van Don Loys de Velasco, teneinde het fort te hulp te snellen. Maar toen zij zagen dat de bovengenoemde dorpen langs de dijken versterkt en van alles goed voorzien waren en dat het water het gehele land bedekte, konden zij geen middel vinden er door te komen en keerden terug. Daarbij kwam dat prins Maurits (om die in het fort verder tot wanhoop te brengen) het kasteel van Batenburg liet innemen, gelegen tussen Lit en de stad Grave, in het land van Maas en Waal, waarin zich 25 man bevonden. Hij dwong met kanonschoten het kasteel over te geven, omdat men van daaruit versterkingen naar het fort zou hebben kunnen sturen. Tegen het einde van april, toen het water van Maas en Waal begon te zakken, naderde prins Maurits het fort van alle kanten met zijn artillerie, zodat de bezetting van alle zijden werd bestookt en in korte tijd was men genaderd tot de grachten om de contre-escarpes, waaruit het water toen reeds geheel was weggevallen. Men had ook een brug geslagen tot een lengte van 360 pas van Alera tot de dijk bij Rossum. Om kort te gaan, Zijne Excellentie kwam tenslotte zo dichtbij, dat men de contre-escarpes kon opgaan, zodat de bezetting van alle hulp was afgesloten en gedwongen was om de pioniers toe te roepen, dat zij verlangden te onderhandelen.

                                      Het fort Voorne van prins Maurits

Prins Maurits neemt fort sint Andries in (Gelders Archief)

Vele Walen werden door hun pastoors overreed om tot het einde toe vol te houden, hen verzekerende dat zij daardoor het paradijs zouden verdienen. Maar, aangezien er verscheidene, ook onder de Duitsers, waren die voor een dergelijke belofte van het paradijs hun leven niet in de waagschaal wilden stellen, werden twee van hen naar buiten gezonden. Prins Maurits zond van zijn kant ook twee personen, nl. de heer Van der Aa, kapitein van zijn lijfwacht, en de heer Jan van Huchtenbroek, kolonel van het regiment van Utrecht. Deze deelde hen mede dat zij, in plaats van hun achterstallige soldij over vele maanden, de som van 125.000 gulden zouden krijgen. 

De Staten der Vereenigde Provinciën oordeelden het nuttiger hen deze som te geven, dan nog langer voor het fort te blijven en het beleg voort te zetten, of hun volk in gevaar te brengen door tot de aanval over te gaan. Na lang onderhandeld te hebben, waarbij die van het fort beweerden meer soldij-achterstand te hebben dan die som van 125.000 gulden, gaven zij tenslotte toe, op voorwaarde dat die som onder hen verdeeld zou worden naar rato van wat ieder van hen te vorderen had aan achterstallige soldij, of op een zodanige wijze, als zij allen zouden goedvinden.

Hierop kwamen zij overeen, dat zij het fort voor de heren Staten zouden houden, totdat de genoemde som hen zou worden betaald, en legden jegens de gedeputeerden van Zijne Excellentie de volgende eed af : "Wij zweren dat, zolang wij op het fort Sint Andries zijn, wij dit zullen behouden ten dienste van de heren Staten der Vereenigde Provinciën der Nederlanden en van Zijne Excellentie, totdat wij het geld zullen hebben ontvangen, dat Zijne Excellentie ons heeft beloofd, dat wij zullen gehoorzamen aan onze kapiteins en aan de officieren die boven ons zullen worden aangesteld, en dat wij de eed afzweren, welke wij hebben afgelegd aan de Koning van Spanje of de Aartshertog.

Bovendien werden hen de volgende artikelen toegestaan: 

1. Alle zieken en gevonden zullen naar naburige steden worden gebracht om te genezen. Zij zullen ook hun deel ontvangen van de genoemde som.

2. Aan de weduwen van gestorvenen zal een uitkering worden gedaan uit genoemde som, volgens het advies van de officieren.

3. Alle soldaten die tot de "bezetting" hebben gehoord, maar deze hebben verlaten, zullen pardon krijgen alsmede hun aandeel in genoemde som.

4 Allen die, nadat zij hun aandeel in de genoemde som hebben ontvangen, naar hun land willen terugkeren, zullen een paspoort ontvangen; maar zij, die weer in de dienst van de Aartshertog willen terugkeren, zullen niets ontvangen.

5. Alle anderen, die de heren Staten der Vereenigde Provinciën willen dienen, zullen worden behandeld als de besten van het eigen land.

6. Allen die van Crèvecoeur zijn gekomen zullen gelijk met de anderen uit de genoemde som worden betaald.

7. Ten aanzien van het verleden zal hen niets worden verweten. (De bevestiging van dit artikel kwam reeds direct nog voor men wegtrok. De 19de mei wilde een Franse soldaat tegen de wil van de bezetting het fort binnendringen. Hij werd teruggeworpen en begon hen uit te schelden, waarbij hij hen verraders en verkopers van het fort noemde. Hij werd onmiddellijk gepakt en ter dood veroordeeld en door Zijne Excellentie uitgeleverd aan de bezetting teneinde te worden doodgeschoten. Maar in het fort gebracht, schonk de bezetting hem het leven).

8. De soldaten konden met toestemming van prins Maurits 8 Waalse kapiteins kiezen van het regiment van Achicourt, en van de lieden van de Markies  5 Duitsers.

9. Alle opzichters (commissaires), zowel de militaire als de civiele, alle provoosten, brouwers, bakkers, molenaars en anderen die weg willen trekken, hebben vrije aftocht, zullen hun paspoort en geleide ontvangen.

10. De pastoor zal met de heiligdommen van de kerk en zijn goederen vrij kunnen wegtrekken en zal een paspoort en geleide ontvangen.

11. De op non-actief gestelde sergeanten en korporaals zullen in de dienst van prins Maurits dezelfde uitkeringen ontvangen als waar zij thans recht op hebben.

12. De soldaten die, na het verlaten van het fort, in de dienst van het land willen gaan, zullen dezelfde eed van trouw zweren als de andere soldaten die het land dienen en zullen, na op de monsterrol gekomen te zijn, een maand soldij als handgeld ontvangen.Al deze voorwaarden worden overeengekomen en gearresteerd op 6 mei en ten uitvoer gelegd op 8 en 9 mei. In het fort trof men aan 4 grote kanonnen en 4 kleine, 3 coulevrines, etc. tezamen 18 stukken, ongeveer 70 tot 80 ton kruit, 40.000 ijzeren kogels, 60 tot 70 karrevrachten graan en andere voorraden en wapens.

Men formeerde van deze lieden een goed regiment van elf vendels, die men overal de nieuwe geuzen noemde. Het waren bijna allemaal oud-soldaten, die hun eigen kapiteins kozen. Zij waren slecht uitgerust en gekleed, maar toen zij in goede steden in de omgeving werden   gelegerd, schaften zij zich weer van alles aan en kleedden zich merendeels in buffelleer. Men gaf hen als eerste kolonel graaf Frederik Hendrik van Nassau, de jongste zoon van wijlen de Prins van Oranje, en als luitenant-kolonel de heer de Marquette, met de expresse verzekering dat hen niets te verwijten was, want dat zij (door de Aartshertog) niet behandeld waren als goede getrouwe soldaten, dat men hen in een nieuw fort had achtergelaten ten prooi van de vijand, aangezien zij gebrek hadden aan noodzakelijke dingen als geld, kleding etc., zodat zij uit nood tot muiterij waren gekomen, dat zij bovendien hun plicht hadden gedaan door meer dan zes weken op hulp te wachten, waarop ten leste niet meer kon worden gehoopt, gezien de wijze waarop zij werden belegerd, en dat zij daarom voor hun goede en trouwe diensten niets meer konden verwachten dan het verlies van hun soldij en de achterstand daarin, dat zij zelfs zonder middelen waren om zich te kleden, en dat tenslotte het verlies van het fort niet aan hun muiterij kon worden geweten en dat hen daarom daarvan ook geen verwijt werd gemankt, waarna zij dienst namen bij de Vereenigde Provinciën.

En dit alles in tegenstelling (naar zij zeiden) van die van Geertruidenberg, die stad en bevolking aan hun vijanden verkochten, voor vijf maanden soldij en tien maanden achterstand, aangezien zij de scheepvaart en het platte land lieten bijdragen, niet belegerd of geprest waren door de vijand, terwijl zelfs hun overheden, aan wie zij de eed gezworen hadden, trachtten hun eer en trouw en die van hun kamp te handhaven, belovende de achterstand te betalen, en hen pardon en paspoorten te zullen verschaffen, dus alles wat zij maar in redelijkheid zouden kunnen wensen: maar alles vergeefs. Aangezet door de vijand verkochten zij de stad uit haai, hebzucht en gierigheid, zodat ze allerwegen kooplieden werden genoemd en toen ze vertrokken waren, verbannen en met naam en toenaam per plakaat ter dood werden veroordeeld, dat geld op hun hoofd werd gezet voor wie hen aanbracht om hun superieuren te ontlasten, en dat zij overal werden opgehangen om een waarschuwend voorbeeld voor anderen te zijn.

Op deze wijze viel het fort Sint Andries, dat zoveel geld had gekost en waarvoor men een zo 250 groot leger 20 ( ??)lang in het veld had gehouden, in de handen van Zijne Excellentie en de heren Staten van de Vereenigde Provinciën der Nederlanden. Een fort dat goede hoop had gegeven om in de winter over het ijs Holland te kunnen veroveren. Dat het zo gemakkelijk verloren is gegaan kwam omdat men er geen geld meer voor over had en niets wilde ondernemen dat nog meer geld kostte. Terwijl de Spanjaarden dus hun zaak slecht hebben behartigd, hebben zij voor deze landen een machtig fort gebouwd, dat thans tegen hun eigen land is gericht. Hierdoor hebben de Aartshertogen van hun veroveringen van de laatste twee jaar niet overgehouden dan de stad Berck, waartegenover de Vereenigde Provinciën Emmerik hebben genomen, dat voor hen grotere waarde heeft dan Berck voor de Aartshertog, echter noch de ene noch de andere behoorde hen toe. Kort hierna hebben Zijne Excellentie en de heren Staten de laatstgenoemde plaats teruggegeven aan de hertog van Cleeff. 

 Notities om de tekening te begrijpen (de cijfers zijn nauwelijks zichtbaar)

1. Kamp van de prins te Alem, waar ook de graven Frederik Hendrik en Willem/Lodewijk van Nassau en de graaf van Solms waren.

2. Het Engelse kamp.

3. Bij deze troepen waren de Schotten, Zwitsers en Fransen onder commando van graaf Ernest.

4. Brug over de Maas.

5. Het geheel omwalde huis te Kessel.

6. Schansen waar men vanaf het eiland Bommel het fort Sint Andries kan zien.

7. Kasteel te Hessel door de prins gebouwd 

8. Kleine vierkante redoutes op het eiland genaamd Berne gebouwd in bovengenoemd jaar.

9. Nieuwe forten en bolwerken door de prins gebouwd met het oog op de komst van de vijand.

1.0.Oorlogsschepen van de prins.

11. Bevaarbare rivierarm genaamd van Nassau, alias het Kruis van Sint Andries.

12. Kleine verschansingen bij Rossum.

13. Kleine verschansingen door de prins pas gemaakt bij Littoyen bij de plaats waar de dijk is doorgestoken.

14. Versterkingen in de vorm van een halve-maan opgericht te Lithenschen-ham.

15. Kleine redoutes op het eiland Bomel bij Herwarde.

16. Het zgn. Roversfort.

Notities bij; DE OVERGAVE VAN HET FORT SINT ANDRIES IH HET JAAR 1600.

In 1624 verscheen bij Jan Janssz. te Amsterdam de 2de druk van een werk, dat de navolgende titel draagt; "La Genealogie des illustres comtes de Nassau; Nouvellement imprimée: avec la description de toutes les victoires lesquelles Dieu a octroiees aux nobles, haults et puissants Seigneurs: Messeigneurs let Etats des Provinces Unies du Pais Bas sous la conduite et gouvernement de son Excellence, le Prince Maurice de Nassau". De auteur van het werk is niet bekend. 

Het wordt toegeschreven aan Jan Orlers en Hendrik Halstens. Van een eerste druk is geen exemplaar bekend. Daar we mogen aannemen, dat dit werk, waarvan slechts een beperkt aantal exemplaren voorhanden is, door onze lezers niet zo gemakkelijk te raadplegen is en daar het oud-Frans ook de nodige moeilijkheden met zich zal brengen, meende de redactie er goed aan te doen een Nederlandse vertaling van het hoofdstuk over Sint Andries uit dit werk op te nemen. Dit zeer omvangrijke vertaalwerk werd verricht door de heer TL. Besancon uit Heerewaarden. De redactie dankt de heer Besancon dat hij de resultaten van zijn vertaalwerk aan ons heeft willen afstaan.

 Enige aanvullingen op "De overgave van Het Fort St. Andries

in het Jaar 1600." (Tussen de Voorn en Loevestein, Jaargang IV nr. blz. 221 e.v,) 

Daar de overgelopen, vooral Waalse troepen, zich moesten scharen onder een regiments commandant uit het huis van Nassau of een Waal, waren er voor de Waalse onderofficieren geen oranje sjerpen beschikbaar en zij bleven de Karmozijn-rode sjerpen dragen die bij de spanjaarden in gebruik waren. Ten spot en tot onderscheid echter, niet over de rechter, maar over de linker schouder.Zelfs in de slag bij Nieuwpoort waar deze Walen zich dapper gedroegen bleef dit gebruik bestaan, en nu als onderscheiding in zwang bij het regiment.

Bron : = Geschiedenis der Ned. Infanterie.

Voorts een gedeelte van een brief die Willern Lodewijk aan zijn vader schrijft over de overgave van St. Andries. "Den 28sten Aprillis stilo vet. haben die belegerte in Gt Andres festung sich ergeben, auf zusag von hondert und funff und zwantzig tausent gulden, so die hernn staten angenommen inen zu zeilen vor hre bieder Spanischen nachstekender besoldung: das grob geschütz so in gedachter festung ist, wirt nicht geringer geschetzt als obgerürtes geit.

Die gemeine soldaten bleiben fast alle in der Staten dienst und sint elfhondert ïïehrhafte man gezehlt worden.Die Victorie is herlich und grosz, dan es ist in kurtzer zeit und ohne blutvergieszen erobert darüber der feindt einen gantzen sommer und ein khonliglich leger gebraucht, und dadurch er meinte die zween stromen, Maes und Wahl, mit einen freien einzug in Hollant in seinen macht zu haben. enz.

Bron : archivès de la maison d'Orange Nassau

Deuxieme Serie, Tome II P. W. Lobreet

------------------------------------------------------------------------------  

In 1684 zag de schans er zo uit:

Tachtigjarige Oorlog

Vanaf het einde van de zestiende eeuw beheersten moderne verdedigingswerken de samenvloeiing van Maas en Waal. Het Spaanse leger legde het eerste fort Sint-Andries aan tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Het was het grootste militaire bouwwerk dat de Spanjaarden ooit in Nederland bouwden. Al snel konden Nederlandse soldaten het fort veroveren. Het was een kleine stad met een brouwerij, een bakkerij, een molen en een kapel. Aan het einde van de achttiende eeuw was het oude fort in vervallen toestand en moest een nieuw exemplaar gebouwd worden. Dat kunnen we nu nog bezoeken.

Zuiderwaterlinie

Fort Sint-Andries maakte deel uit van de Zuiderwaterlinie. Eeuwenlang kwamen de belangrijkste vijanden van Nederland uit het zuiden. Langs de Maas tussen Gelderland en Noord-Brabant liggen vestingsteden en andere verdedigingswerken die de Spanjaarden en later de Fransen buiten de Nederlandse republiek (1588 – 1795) moesten houden. Samen vormen deze steden en forten de Zuiderwaterlinie. De meeste liggen in Noord-Brabant, maar sommige verdedigingswerken liggen aan de Gelderse kant van de Maas.        

 

 

 

        Het nieuwe fort Sint Andries. In het midden van de foto boven de sluis.

 

voorheen Hervormde Gemeente Heerewaarden